Voornaamste conclusies uit de drie onderzoeken

Globale conclusies uit de bevraging van 3387 Vlamingen en Nederlanders  


We leren uit dit onderzoek dat mannen en vrouwen zichzelf niet absoluut onknap scoren, dat ze hun partner hoger scoren dan zichzelf en dat ze verzorgd uiterlijk, ogen en gezicht het meest aantrekkelijk vinden. Ze hebben een absolute hekel aan lijfgeur, maar ook onverzorgd uiterlijk, overbeharing en onzuivere huid. Te mager vinden ze erger dan te dik. Naarmate men ouder wordt, worden de eisen omtrent aantrekkelijkheid veel minder. Ongeacht de BMI maken zeer veel vrouwen zich zorgen om hun gewicht, hun buik en billen en ook mannen delen die bekommernissen, al is het in mindere mate. Miss- en misterverkiezingen vinden de meesten niet mensonterend en de invloed op het zelfbeeld is beperkt. Het uiterlijk is bij partnerkeuze ontzettend belangrijk. Maar als men moet kiezen uit een lijstje met andere kenmerken scoren humor, uitstraling en spontaneïteit hoger. De meerderheid gaat akkoord dat onaantrekkelijke mensen gediscrimineerd worden in onze samenleving en dat aantrekkelijke mensen een gemakkelijker leven hebben en meer kansen krijgen in het leven. Aantrekkelijke mensen zijn geen aangenamere mensen om mee om te gaan en niet minder gelukkige mensen. Een kleine minderheid oordeelt dat aantrekkelijke kinderen op school voorgetrokken worden en dat ze een hoger loon krijgen dan onaantrekkelijke mensen. Meer mensen zijn wel overtuigd dat het een grote rol speelt bij het solliciteren. Lelijke mensen hebben niet minder kans om een (huwelijks)partner te vinden en zijn zeker niet minder intelligent en zien er niet misdadiger uit, tenminste dat oordeelt de meerderheid, ook al blijft een klein percentage daarvan wel overtuigd. De meerderheid geeft toe dat onze samenleving meer belang hecht aan het uiterlijke dan aan het innerlijke. Daarom ook dat 2 op 3 personen vinden dat er iets gedaan moet worden om discriminatie op basis van uiterlijk tegen te gaan. Vooral vrouwen voelen de druk van de media om er als maar mooier uit te zien en koesteren negatieve gevoelens bij het zien van modellen op televisie. De meerderheid vindt dat in Tv-programma's ook gewone en onaantrekkelijke mensen aan bod moeten komen. Amper één op tien zeggen dat ze zich in hun koopgedrag laten beïnvloeden door de aanwezigheid van aantrekkelijke mensen in de reclame. De meerderheid vindt het belangrijk dat campagnes zoals die van ex-minister Mieke Vogels rond 'mooi zijn zit niet aan je lijf, maar in je lijf' gevoerd worden. Mensen zijn overtuigd dat mooi zijn een grote rol speelt in de politiek, maar zouden zelf niet op mooie politici stemmen omwille van hun uiterlijk. Sport en diëten zijn zeer populair,maar laxeermiddelen gebruiken en bewust braken om af te slanken komt bij een aantal personen voor, maar gelukkig nog maar bij een minderheid. Nogal wat mensen gaven aan dat ze omwille van hun uiterlijk gediscrimineerd werden door andere kinderen (vroeger), op het werk, bij de partnerkeuze, uitgangsleven of familie.
We mogen globaal stellen dat de meerderheid overtuigd is dat het uiterlijk een enorm grote invloed heeft op het maatschappelijke leven en dat men het zou appreciëren mocht er meer aandacht gegeven worden aan de problematiek en campagne gevoerd zou worden om discriminatie tegen te gaan. We willen nog aanstippen dat bij een 50tal personen in Londen een identieke in het Engels vertaalde vragenlijst werd afgenomen tijdens een studiebezoek door studenten. Op de CD-ROM vindt u de resultaten hiervan. De meest opvallende vaststelling was dat er , zelfs met een veel geringer aantal respondenten en met het kleine cultuurverschil praktisch geen enkel verschil in antwoorden werd gevonden tussen beide onderzoekspopulaties, op enkele te verwaarlozen details na. Engelsen denken op dezelfde manier over uiterlijk dan Vlamingen en Nederlanders.

Globale conclusies uit de bevraging van 79 hulpverleners/welzijnswerkers actief in 13 voorzieningen in de jeugdhulpverlening (bijzondere jeugdbijstand en kinderpsychiatrie).  

Wat de normen voor aantrekkelijkheid en onaantrekkelijkheid betreft, vinden we geen verschil tussen hulpverleners en de rest van Vlaanderen die in de eerste algemene vragenlijst aan bod kwamen. Dezelfde kenmerken komen terug. Het merendeel van de hulpverleners heeft niet de indruk dat de omgeving hun uiterlijk negatief beoordeelt. In de sociale sector speelt hoe je eruit ziet wellicht niet zo'n grote rol. Heel wat hulpverleners hebben wel negatieve gevoelens over hun uiterlijk, waaronder het merendeel vrouwen. Hulpverleners scoren zichzelf op een aantrekkelijkheidsschaal gemiddeld 7, wat overeenkomt met de algemene enquête. Bij de groepen van begeleide jongeren komen lichaamsgeoriënteerde problemen zoals overdreven aandacht voor uiterlijk, BDD en eetstoornissen voor. Bijna drie op vier hulpverleners heeft er mee te maken. In elke voorziening wordt gewerkt aan een positiever lichaamsbeeld, aan hygiëne, aan het uiterlijk en het zelfbeeld. De veranderingen komen tot stand zowel door de invloed van deFoto-experiment : om deontologische redenen werden de gezichten van de kinderen voor de rapportage onherkenbaar gemaakt. begeleiding, het zelfinzicht van de jongere, de groepsdruk, familie en vrienden. Ook de media hebben in de instellingen een grote impact op het zelfbeeld van de jongeren. Bijna alle hulpverleners zijn overtuigd dat jongeren zich voor hun lichaamsbeeld erdoor laten beïnvloeden. Het merendeel vond niet dat het verblijf in de voorziening invloed had op het ideaalbeeld omtrent fysieke aantrekkelijkheid. Bijna niemand oordeelde dat jongeren met een fysiek onaantrekkelijk uiterlijk meer probleemgedrag vertonen en meer agressief zijn. Fysiek onaantrekkelijke jongeren worden wel iets meer uitgesloten door de groep en aantrekkelijke jongeren krijgen meer kansen in de maatschappij. Aantrekkelijke jongeren krijgen meer positieve aandacht van de andere groepsleden, maar absoluut niet van de begeleiding, vond de meerderheid. Deze beweringen deden ons toch twijfelen omdat in een foto-experiment dat we bij de hulpverleners deden overduidelijk bleek dat aantrekkelijke kinderen ook unaniem met de meest positieve eigenschappen opgezadeld werden en het dikke kind uit de groep unaniem door iedereen als onaantrekkelijk werd bevonden en beschreven werd als meest gepest. Zou er dan toch een verschil zijn tussen wat men denkt en zegt én doet ? Onaantrekkelijke jongeren zijn het mikpunt van pesterijen, oordelen heel wat begeleiders. In de voorziening is er voldoende aandacht voor de problematiek, maar in de opleidingen mag het onderwerp zeker meer aan bod komen, is verder de mening van de hulpverleners.
We kunnen concluderen dat de thematiek van het uiterlijk en aantrekkelijkheid in de hulpverlening zeker een rol speelt. Hoe de thematiek juist inwerkt is moeilijk te zeggen omdat we niet kunnen inschatten in hoeverre de populatie hulpverleners sociaal wenselijk geantwoord heeft, logische antwoorden gaf in functie van het beroep, professionaliteit en taak. Maar ook in voorzieningen worden onaantrekkelijke kinderen achteruitgesteld, misschien dan niet door de begeleiding, dan toch absoluut door de andere jongeren van de groepen. Dit laatste bleek overduidelijk uit de antwoorden.Er is blijvende aandacht voor nodig en het thema moet zowel bij de jongeren als bij het personeel ter sprake gebracht worden. Wijzen op mogelijke valkuilen en focussen op mogelijke discriminatie kan al voldoende zijn om het verschil aantrekkelijk onaantrekkelijk te minimaliseren.

Globale conclusies uit de bevraging bij 92 jongeren die residentieel verblijven in 13 voorzieningen voor jeugdhulpverlening  

Het zelfbeeld van jongeren in voorzieningen binnen de jeugdhulpverlening verschilt globaal genomen niet van jongeren of volwassenen in de samenleving. Dezelfde dingen komen naar voor waar men tevreden en ontevreden over is. Men is tevreden over de ogen, haar, tanden, ontevreden over benen, buik, billen. Bij meisjes is er veel meer unanimiteit dan bij de jongens. Wellicht zijn er individueel wel verschillen in lichaamsbeeld. Een op vier jongeren voelt zich niet goed in zijn/haar vel, maar bij de meisjes is het één op drie. Ongeveer 7% wordt gepest in de groep omwille van het uiterlijk. Eén op acht jongeren voelt zich ongemakkelijker bij een hulpverlener die ook knap is. Eén op drie meisjes vinden dat het leven aangenamer zou zijn, mochten ze knapper zijn. Bij één op tien meisjes is de opname mee bepaald door ontevredenheid over het eigen uiterlijk. Bij jongens is dit allemaal minder uitgesproken. Jongeren hebben diverse dingen gedaan om het uiterlijk te veranderen, maar bij meisjes vonden we een onrustwekkend hoog aantal dat bewust braken gebruikte om te vermageren : één op vijf meisjes had dit al gedaan. Eén op acht gebruikte afslankingsproducten en 6% laxeermiddelen. Dit was wel vreemd omdat de jongeren bij een vraag naar gewenste middelen, dit zeker niet als normaal aanstipten. Meer dan de helft van de jongeren is overtuigd dat aantrekkelijke jongeren meer kansen krijgen in het leven en dat het innerlijke eigenlijk belangrijker is dan het uiterlijke van de mens. Maar voor een toekomstige (liefdes)partner vinden 6 op 10 jongens en 4 op 10 meisjes het mooie uiterlijk heel belangrijk. Een zeer klein percentage wordt gepest omwille van uiterlijk in de groep. Eén op tien jongeren vindt dat er meer positieve aandacht wordt gegeven door de begeleiding aan de aantrekkelijke, mooie jongeren. Vreemd genoeg waren hiervan meer jongens dan meisjes overtuigd. Eén op acht jongeren gaat liever om met mooiere jongeren van de leefgroep, maar het is een minderheid. Lelijk zijn wel, maar mooi zijn is geen reden om gepest te worden in de groep. Een op acht jongeren vindt het moeilijker om met dikke mensen om te gaan in de (leef)groep.
De globale resultaten zijn niet verontrustend hoog, maar toch significant om er aandacht aan te geven. Meestal is het maar een minderheid van de begeleid(st)ers die volgens de jongeren rekening houdt met het uiterlijk. Dit is allemaal geruststellend. Maar we kunnen de signalen van de enkelingen ook niet helemaal aan de kant schuiven. Vorming, preventie, aandacht voor de thematiek is ook in de voorzieningen onontbeerlijk. Middelen om af te slanken zoals braken en laxeermiddelen gebruiken zijn zeer populair bij jongeren en dan vooral meisjes in leefgroepen, hoewel de jongeren overtuigd zijn dat het niet gezond en wenselijk is. Meisjes geven opvallend aan dat ze vaak braken na het eten, vermageringsprodukten gebruiken en zich te dik voelen. Ze voelen zich er zelf niet goed bij. Dit laatste is wel iets om ongerust over te zijn en waar dringend op alle mogelijke manieren aandacht aan geschonken moet worden. Ik kijk dan niet alleen naar opvoeders en hulpverleners, maar zeker naar reclame en media, die, ook al ontkennen ze het zelf stellig, één van de hoofdoorzaken hiervoor zijn.
Al bij al blijft het ook voor de voorzieningen een opdracht om aandacht te schenken aan het belang van het uiterlijk in de groepen. Men zal het fenomeen dat mooie mensen voorgetrokken worden niet kunnen uitroeien, het hoort wellicht bij het leven zelf. Maar door er activiteiten rond te organiseren en jongeren in groepsgesprekken te wijzen op de valkuilen en vooroordelen die ermee gepaard gaan , kan veel onheil voorkomen worden. Door vooral zelf als begeleider niet te laten blijken dat men voorkeuren op dit gebied heeft, kan men voorkomen dat jongeren teveel aandacht aan het aantrekkelijke uiterlijk gaan besteden en anderen daardoor gaan discrimineren. Directies van voorzieningen moeten in hun missie opnemen dat ze blijvend aandacht schenken aan de thematiek, zowel in de vorming en beoordeling van het personeel, de kwaliteitszorg, als in het hulpverleningsprogramma naar de jongeren, uiteraard naast alle andere vormen van discriminatie die zouden kunnen voorkomen. Opleidingen in de sociale sector hebben de plicht meer aandacht te schenken aan de problematiek, aangezien de hulpverleners zelf vermelden dat dit een tekort was in hun opleiding.

In het boek vindt u een uitvoerige rapportage van de drie deelonderzoeken. Op de CD-ROM staan de volledige onderzoeksrapporten met de gegevens van alle vragen, tabellen, grafieken , interpretaties en conclusies.